Het nieuwe artikel 1:400 lid 1 BW luidt als volgt:
Indien een persoon verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen en zijn draagkracht onvoldoende is om dit volledig aan allen te verschaffen, hebben zijn kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van een en twintig jaren nog niet hebben bereikt voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden en hebben zijn echtgenoot, zijn vroegere echtgenoot, zijn geregistreerde partner, zijn vroegere geregistreerde partner, zijn ouders en zijn kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van een en twintig jaren hebben bereikt voorrang boven behuwdkinderen en zijn schoonouders.
Vóór de wijziging van artikel 1:400 BW stond een dergelijke voorrangsregeling niet in de wet. Het was toen de vraag of een onderhoudsverplichting ten opzichte van een nieuwe partner voorging boven de verplichting tot het betalen van kinderalimentatie.
In een dergelijke situatie heeft het Hof Den Haag op 14 oktober 2009 jl. uitspraak gedaan. De situatie was als volgt. Bij beschikking van 16 april 2007 bepaalde de rechtbank dat een man voor zijn twee minderjarige kinderen iedere maand een bedrag van 270,- per maand per kind diende te betalen aan zijn ex-vrouw. De man heeft vervolgens in verband met een wijziging van omstandigheden een procedure gestart tot nihilstelling van de kinderalimentatie met ingang van 1 juni 2008. De Rechtbank wees zijn verzoek af en de man is tegen die beslissing in hoger beroep gekomen.
De Uitspraak
Het hof oordeelt als volgt. De man is opnieuw getrouwd met een nieuwe partner. Zij woont in Marokko en volgt een dagopleiding waardoor zij niet beschikbaar is voor de arbeidsmarkt en dus niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De man stelt dat zijn draagkracht daarom is verminderd, op hem zou immers de bijstandsnorm voor gehuwden van toepassing zijn. De ex-vrouw is van mening dat de studie van de partner van de man niet ten koste mag gaan van de alimentatieverplichting van de man ten opzichte van zijn kinderen.
Het hof maakt vervolgens onderscheid tussen de situatie tot 1 maart 2009 (voor de inwerkingtreding van de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding) en na 1 maart 2009.
Het hof is van mening dat het huwelijk met de nieuwe partner in Marokko weliswaar een gewijzigde omstandigheid is in de zin van artikel 1:401 BW, maar dat dit onvoldoende is om de kinderalimentatie op een lager bedrag te bepalen. Niet gebleken is immers dat de nieuwe partner van de man niet in staat zou zijn om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De stelling van de man dat de vrouw een dagopleiding volgt is daarvoor onvoldoende. Voor de bepaling van de draagkracht van de man moet daarom uitgegaan worden van de bijstandsnorm voor een alleenstaande.
Voor wat betreft de periode na 1 maart 2009 is het hof heel duidelijk: uit de wettelijke voorrangsregeling vloeit voort dat de vermindering van de draagkracht van de man door het aangaan van het nieuwe huwelijk in beginsel niet tot een wijziging van zijn onderhoudsverplichtingen ten opzichte van zijn kinderen zou moeten leiden. Nu de man geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden bekrachtigt het Hof de beschikking van de rechtbank. Het huwelijk van de man is geen wijziging van omstandigheden die een wijziging van de kinderalimentatie rechtvaardigt; het verstrekken van levensonderhoud aan zijn kinderen heeft voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden.
Alette Eising
Dommerholt Advocaten N.V. |