Ontwikkelingsplan bij alimentatieverzoek
'Een echtgenoot die in het kader van de echtscheiding alimentatie voor zichzelf vraagt zou verplicht moeten worden om bij dat verzoek een ontwikkelingsplan in te dienen, waaruit blijkt wat er concreet in de komende jaren aan stappen zal worden gezet om zo snel mogelijk en zoveel mogelijk in eigen levensonderhoud te gaan voorzien' aldus Loes Gijbels en Julia Veldkamp.
Een echtgenoot die na echtscheiding niet (volledig) in eigen levensonderhoud kan voorzien en in redelijkheid geen eigen inkomen kan verwerven heeft behoefte aan alimentatie. Meestal betreft dit de vrouw. Als deze vrouw in het kader van de echtscheiding om alimentatie vraagt zal dit verzoek worden gehonoreerd als de andere echtgenoot, meestal dus de man, voldoende financiële middelen heeft om alimentatie te betalen. Heeft de vrouw op het moment van de echtscheiding behoefte aan alimentatie, en heeft de man draagkracht, dan zal de rechter het te betalen alimentatiebedrag vast stellen. Tenzij de rechter een andere alimentatieduur oplegt (hetgeen bijna nooit gebeurt) duurt deze verplichting als hoofdregel 12 jaar. Tussentijdse wijziging (verhoging of verlaging) van het alimentatiebedrag is mogelijk, bijvoorbeeld als de omstandigheden wijzigen, en tussentijdse beëindiging is mogelijk, bijvoorbeeld als de man geen draagkracht meer heeft, of de vrouw geen alimentatiebehoefte meer heeft. Als de vrouw hertrouwt of gaat samenleven met een ander, als waren zij gehuwd, vervalt het recht op alimentatie.
Als een vrouw op het moment van de scheiding werk heeft zal met dat inkomen rekening gehouden worden. Dat eigen inkomen vermindert haar alimentatiebehoefte. Werkt ze niet en heeft ze ook geen recente werkervaring, bijvoorbeeld omdat zij al een aantal jaren thuis is en voor de kinderen zorgt, kan in de meeste gevallen niet van haar verwacht worden dat zij onmiddellijk geheel of ten dele in eigen levensonderhoud gaat voorzien, en zal dus bij de alimentatievaststelling niet met te verwerven eigen inkomsten rekening gehouden worden. De alimentatieverplichting wordt vastgesteld op een zeker bedrag, het huwelijk wordt ontbonden en de termijn van 12 jaar gaat lopen. Er is dan nergens een verplichting te vinden dat de vrouw gaat pogen alsnog een baan te vinden. Vanwege dit automatisme is het niet verwonderlijk dat vrouwen in een echtscheidingsprocedure breed uit meten waarom ze niet (kunnen) werken. Vrouwen worden door het systeem verleid tot een negatieve focus.
Het kan zijn dat de vrouw niettemin tijdens deze 12 jaar gaat werken. Deze inkomsten kunnen - afhankelijk van de omstandigheden - leiden tot vermindering van alimentatie. Het kan ook zijn dat de vrouw niet gaat werken, maar dat de man op zeker moment vindt dat van de vrouw inmiddels verwacht kan worden dat zij eigen inkomen verwerft. Dan kan hij verzoeken om verlaging van de alimentatie. De man kan deze kwestie aan de rechter ter beoordeling voorleggen. Dan volgt er een in de praktijk lastige discussie over de vraag of de vrouw inkomen had kunnen verdienen als zij zich daarvoor had ingezet, en zo ja, hoeveel. In toenemende mate zien we dat er wel enige alimentatiekorting plaatsvindt als de vrouw echt heeft stilgezeten, ook al kon zij wel werken omdat de kinderen op zeker moment het huis uit waren en er geen medisch of ander beletsel was.
Maar deze situatie: een in veel gevallen automatisch doorlopen van de alimentatieverplichting van 12 jaar zonder het concreet inbouwen van een incentive om zelf inkomen te gaan verdienen, bevordert in elk geval niet dat vrouwen tijdig initiatieven nemen om - met bijscholing - weer aan het arbeidsproces te gaan deelnemen. Toch is dat in hun eigen belang, want ook aan de 12 jaar komt eens een eind. Hoe eerder een alimentatiegerechtigde zich gaat richten op de omstandigheden waaronder het wél mogelijk is om eigen inkomsten te verdienen, in plaats van de focus op het níet kunnen verdienen van eigen inkomsten, hoe beter. Daarbij moet ook bedacht worden dat de alimentatiebetaler blijkens de rechterlijke uitspraken een zware verantwoordelijkheid draagt voor het behoud van zijn verdiencapaciteit gedurende deze looptijd van 12 jaar. Te noemen valt het feit dat de man, als hij van een FPU-regeling gebruik maakt, met een inkomensvermindering tot gevolg, niet zomaar kan rekenen op verlaging van zijn alimentatielast. Als de man in het bedrijfsleven een topinkomen verdient, maar een lager betaalde functie ambieert (zoals het burgemeestersambt of het hoogleraarschap) wacht hem een teleurstelling: deze vrijwillige inkomensvermindering heeft geen invloed op de alimentatielast. Als hij een nieuwe partner vindt, wordt die partner geacht in beginsel in eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, ook al is dat feitelijk niet zo. Die partner wordt dus geacht te kunnen werken, de ex niet.
Wij bepleiten niet dat de alimentatiebetaler minder verantwoordelijkheid moet gaan dragen voor de financiële situatie van de twee gezinnen na echtscheiding. Wij bepleiten wél dat de verantwoordelijkheid evenwichtiger verdeeld wordt. Volgens onze wet heeft alleen iemand die geen of onvoldoende inkomen heeft én in redelijkheid niet voldoende inkomsten kan verwerven recht op alimentatie. Bij het vaststellen van de alimentatie zou dus niet alleen beoordeeld moeten worden of op het moment van de beslissing al dan niet voldoende inkomen kan worden verworven maar ook wanneer het moment aan kan breken waarop de alimentatiegerechtigde wél geacht kan worden voldoende inkomsten te verwerven. Ons voorstel is om in de wet de verplichting voor een alimentatieverzoeker op te nemen om bij het indienen van een verzoek tot vaststelling van alimentatie meteen een ontwikkelingsplan in te dienen waarin aangegeven is wat de verzoeker meent te kunnen gaan doen om op termijn (weer) een inkomen te verdienen, welke verdiensten wanneer te verwachten zijn, en hoe dat inkomen zich de komende jaren zal kunnen ontwikkelen. Dat geeft alimentatieverzoekers in elk geval een incentive om een eigen toekomst op te bouwen en een stuk afhankelijk te laten varen. De alimentatiehoogte en duur kan op dit plan worden afgestemd. Blijkt de praktijk tegen te vallen dan kan de alimentatieverzoeker in de toekomst een aanpassing van alimentatiehoogte en/of alimentatieduur vragen. Daarbij zal dan uiteraard wel moeten worden aangetoond dat er serieuze pogingen zijn gedaan om een passend eigen inkomen te verwerven.
Loes Gijbels en Julia Veldkamp
De auteurs zijn advocaat en scheidingsbemiddelaar, werkzaam bij SmeetsGijbels te Rotterdam.
|