Doorzoek deze site met behulp van Google!
De nieuwssite voor alimentatie nieuwsbrief Abonneer u op het laatste nieuws van deze site
U bent hier: Home > Actueel

Partneralimentatie: begroting van het in redelijkheid te verwerven inkomen

Dommerholft logoVolgens de werkgroep alimentatienormen verminderen de werkelijke of fictieve (in redelijkheid te verwerven) eigen inkomsten van de onderhoudsgerechtigde (ook die uit vermogen) de alimentatiebehoefte. Met andere woorden, indien er eigen inkomen wordt ontvangen, zal de behoefte aan partneralimentatie lager zijn. De behoefte wordt evenwel ook lager indien wordt aangenomen dat de alimentatiegerechtigde in redelijkheid eigen inkomen kan verwerven. De hoogte van dat fictieve inkomen waarmee rekening wordt gehouden ligt uiteraard niet vast. Uit de jurisprudentie blijkt dat hiermee verschillend wordt omgegaan.

In een uitspraak van het Hof 's-Gravenhage van 23 december 2009 werd geoordeeld dat de vrouw na het feitelijk uiteengaan van partijen geen enkele activiteit had ondernomen om zelf in haar levensonderhoud te voorzien, terwijl zij daartoe wel in staat was en dat van haar verlangd had mogen worden. Dat de vrouw op dat moment nog geen werk had, diende voor haar rekening en risico te komen.

De verdiencapaciteit werd door het Hof begroot op de helft van het minimumloon. Dit lijkt, gezien het feit dat de vrouw gediplomeerd onderwijzeres was en het Hof zelf vaststelde dat de zorg voor de kinderen, gelet op hun leeftijd (10 en 11 jaar), voor de vrouw geen grote belemmering hoefde te vormen, niet echt hoog. Waarom hield het hof bijvoorbeeld geen rekening met het (volledige) minimuminkomen of een nog hoger inkomen, gebaseerd op een fictief dienstverband van een fictief aantal uren?

In een uitspraak van de Hoge Raad van 10 september 2004 (RFR 2004, 13) kon volgens het Hof 's-Gravenhage juist worden verlangd dat een psychiater met twee kinderen van 9 en 12 jaar oud gedurende 32 ½ uur per week zou gaan werken met een conform inkomen. De Hoge Raad achtte dit oordeel van het Hof niet onjuist.

In een vergelijkbare uitspraak van 13 oktober 2004 (RFR 2005, 4), oordeelde het Hof 's-Gravenhage juist weer dat van de vrouw verlangd kon worden dat zij in ieder geval het minimumloon kon verdienen (en dus niet de helft zoals in de hiervoor genoemde zaak).

Uit voorgaande uitspraken bij hetzelfde Hof blijkt aldus dat niet vastligt met welk fictief inkomen rekening wordt gehouden bij de vaststelling van de behoefte aan partneralimentatie. Een eenduidige lijn is ver te zoeken. Het is daarom zaak in een procedure hierover een duidelijk standpunt in te nemen en dit te onderbouwen.

Josine E. Bruning, Dommerholt Advocaten N.V.

Datum bericht: 21 jun 2010
Laatst bijgewerkt: 8 jul 2010

Meer informatie...