Voorts is over een aantal aspecten overleg gevoerd met een vertegenwoordiging van de Werkgroep Alimentatienormen en de Studiekring Familie- en jeugdrechtspraak van de Nederlandse Vereniging van Rechtspraak (NVVR). Bij dit overleg was ook het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid betrokken. In deze bijlage bij het DIVOSA-Informatiebulletin van maart 1993 treft u de resultaten van deze activiteiten aan.
Vooraf moeten wij de volgende kanttekeningen plaatsen. Op enkele beleidsmatige vragen die in het overleg tussen SZW, de NVVR en DIVOSA zijn gesteld, is door de staatssecretaris nog geen beslissing genomen. Zo heeft de NVVR verzocht het minimum verhaalsbedrag van f 250,-- te verhogen tot f 600,-- op jaarbasis. Reden is dat de rechter meestal geen lagere alimentatiebedragen oplegt dan f 50,-- per maand. De staatssecretaris heeft op dit advies nog niet gereageerd. Indien de gemeente gebruik maakt van de alimentatievoorwaarde, zal zij in beginsel een zelfstandige verhaalsactie moeten starten voor de periode die ligt tussen de aanvang van de bijstandsverlening en het moment waarop door de rechter een (voorlopige) alimentatie is vastgesteld. Uitgangspunt bij de introductie van de alimentatievoorwaarde is het voorkomen van dubbele procedures. De staatssecretaris laat nagaan of dit betekent dat de gemeente kan afzien van verhaal over deze voorliggende periode.
A. HET GEBRUIK VAN DE ALIMENTATIEVOORWAARDE (artikel 3, derde lid ABW)
Een belangrijk deel van de echtscheidingszaken kan bij de rechtbank zonder tegenspraak worden afgedaan (verstek of referte). Dergelijke procedures worden snel en op eenvoudige wijze afgedaan. Het betreft vaak procedures, waarin geen alimentatie wordt gevorderd, omdat de draagkracht van de alimentatieplichtige zulks niet toelaat.
Zodra in een scheidingsprocedure wel een alimentatievordering wordt ingesteld en partijen hierover van te voren geen overeenstemming bereiken, is het de ervaring dat de procedure op tegenspraak wordt gevoerd. De procedure gaat daardoor veel langer duren en is voor de rechtbank zeer bewerkelijk. Indien de gemeente de alimentatievoorwaarde oplegt, zullen de advocaten hieraan gevolg geven. Bij een onbeperkt gebruik van de alimentatievoorwaarde zal dit tot gevolg hebben dat in een groot aantal echtscheidingsprocedures een volledig proces zal moeten worden gevoerd. Een efficiënte procesvoering zal daardoor zeer in het gedrang komen en voorts wordt door de NVVR gevreesd voor een ernstige verstopping van de afhandeling van scheidingszaken. In eerste instantie zal dit leiden tot een sterke vertraging in de afhandeling van verhaalszaken en/of tot een zeer summiere motivering van de alimentatie-uitspraak.
Een aantal gemeenten ziet om principiële of praktische reden reeds af van het opleggen van de alimentatievoorwaarde:
- verhaal van bijstand is een zaak tussen de onderhoudsplichtige en de gemeente, hiermee moet de echtscheidingsprocedure niet extra worden belast,
- de gemeente dient toch onderzoek te verrichten om na te kunnen gaan of de rechtbank rekening heeft gehouden met alle relevante gegevens en omstandigheden. Bovendien dient de gemeente over de periode voorafgaande aan de (voorlopige) alimentatievaststelling de verleende bijstand toch te verhalen.
Indien de gemeente gebruik wenst te maken van de alimentatievoorwaarde, dan wordt geadviseerd hierbij de volgende gedragsregels te hanteren:
-
indien de onderhoudsplichtige bereid is via een minnelijke regeling het verhaalsbedrag te betalen, dan wordt de alimentatievoorwaarde niet opgelegd,
- een voorwaarde dient alleen te worden opgelegd, indien deze kan worden nagekomen. Indien het op het eerste gezicht voldoende aannemelijk is dat de onderhoudsplichtige onvoldoende draagkracht heeft om alimentatie te betalen, dient de alimentatievoorwaarde niet te worden opgelegd. Hiervan kan worden uitgegaan, indien het inkomen van de onderhoudsplichtige gelijk of lager is dan de volgende netto bedragen:
- - voor alleenstaanden: in tariefgroep II f 1.800,00,
(indien op de te beoordelen loonstrook nog tariefgroep III
is aangegeven, dan f 2.050,00),
- - voor samenwonenden f 2.300,-.
Als wordt afgezien van het opleggen van de voorwaarde op grond van deze criteria, dan dient de gemeente toch zelfstandig te beoordelen of er sprake is van enige draagkracht om verhaal toe te passen.
B. HET "HOREN" VAN DE GEMEENTE (art. 827, vierde lid Rv).
Indien de gemeente de alimentatievoorwaarde aan de bijstandsuitkering heeft verbonden, dient de rechter de gemeente in de gelegenheid te stellen haar mening omtrent de voorwaarde kenbaar te maken. (Aanvankelijk stond deze bepaling in art. 824b Rv. Met de herziening van het scheidingsprocesrecht is dit artikel door het ontbreken van afstemming tussen departementen vervallen. Inmiddels is deze bepaling wederom in de wet opgenomen in artikel 827, vierde lid Rv.)
Niet geregeld is hoe de rechter kan vaststellen dat de gemeente de alimentatievoorwaarde heeft opgelegd. Het valt niet te verwachten dat dit via de advocaat van de bijstandsgerechtigde in goede banen zal worden geleid. De leden van de NVVR zijn pertinent tegenstander van het ter zitting horen van de gemeente. Het proces is een zeer persoonlijk gebeuren tussen de echtelieden. Bewust vindt dit proces achter gesloten deuren plaats. Hier hoort geen ambtenaar van de gemeente bij aanwezig te zijn. Bovendien is het zeer omslachtig voor gemeenten om alle rechtbanken in het land af te reizen.
Indien de gemeente het wenselijk vindt dat haar mening over de alimentatievordering kenbaar wordt tijdens het echtscheidingsproces dan zal zij moeten en kunnen volstaan met een schriftelijke inbreng. De volgende procedure kan hierbij worden gevolgd:
- de gemeente wordt alleen "gehoord" als zij daarom uitdrukkelijk verzoekt. In alle andere gevallen neemt de rechtbank alleen contact op met de gemeente als zij daar zelf behoefte aan heeft,
- de gemeente legt aan de uitkeringsgerechtigde, naast de alimentatievoorwaarde, de voorwaarde op dat na ontvangst terstond een copie van het verzoekschrift wordt afgegeven of het rolnummer wordt doorgegeven. Eventueel benadert de gemeente daartoe de advocaat,
- de gemeente bericht de rechtbank, onder vermelding van het zaaknummer, dat zij op grond van artikel 827, vierde lid Rv binnen zes weken haar mening kenbaar zal maken,
- de gemeente stuurt binnen zes weken een gespecificeerde berekening van de naar haar oordeel op te leggen onderhoudsbijdrage of, het bericht dat men onvoldoende gegevens van de onderhoudsplichtige heeft gekregen om een oordeel te kunnen geven over de op te leggen onderhoudsbijdrage.
- de gemeente stuurt een copie van de genoemde berekening aan de onderhoudsplichtige en aan de onderhoudsgerechtigde.
Hiermee wordt bereikt dat de procespartijen worden geïnformeerd.
- het is voor de rechter niet mogelijk om de gemeenten afschriften van processtukken te verschaffen. De processtukken bevatten allerlei privacy-gevoelige aspecten waarvan de behandeling achter gesloten deuren plaatsvindt. Bovendien heeft de wetgever nu juist geregeld dat de gemeente geen partij is in de scheidingsprocedure.
- de rechter zal de gang van de procedure zodanig sturen dat, bij tijdige binnenkomst van het advies van de gemeente, beide partijen zich daarover kunnen uitlaten. In de praktijk betekent dit, dat in de procedure geen mondelinge behandeling zal worden gehouden dan na ommekomst van één week na afloop van de adviestermijn.
- om de gemeenten te kunnen laten beoordelen of bij de vaststelling van de alimentatie rekening is gehouden met alle in aanmerking komende gegevens en omstandigheden van de betrokken partijen, zullen in de beschikkingen zoveel mogelijk de financiële omstandigheden van de partijen worden opgenomen. Voor sommige informatie zullen de gemeenten contact moeten opnemen met de procespartijen.
- in verband met de herziening van het echtscheidingsprocesrecht is het voor de bijstandsgerechtigde niet mogelijk in een reeds lopende scheidingsprocedure, waarbij hij/zij al aan het woord is geweest, alsnog een alimentatievordering in te stellen, indien hij/zij dat nog niet gedaan heeft. In dat geval kan de alimentatievoorwaarde niet (meer) worden opgelegd.
C. AANPASSINGEN WERKBOEK TERUGVORDERING EN VERHAAL
- Bij de aanschrijving van de onderhoudsplichtige, model 8, is het correct om te vermelden dat hij niet verplicht is om medewerking te verlenen. Hij kan ook het verhaalsbedrag door de rechtbank laten vaststellen.
- Het verzoek om de onderhoudsplichtige te veroordelen in de kosten van het geding kan beter niet standaard in de verzoekschriften worden opgenomen. De eventueel in rechte te liquideren kosten zijn voor de gemeente beperkt. De gemeente betaalt immers geen griffierecht of procureursalaris.
- Bij de modellen 16, 17 en 18 wordt gemeld dat bij een verzoek tot vaststelling van een verhaalsbedrag in afwijking van een bestaande alimentatie-uitspraak, de oorspronkelijke rechtbank bevoegd is. Artikel 828a, vierde lid Rv, biedt echter een keuzemogelijkheid tussen de woonplaats van de verzoeker (i.c. de gemeente) en de woonplaats van de verweerder (i.c. de onderhoudsplichtige). De NVVR spreekt hierbij uit dat, indien een van deze rechtbanken de oorspronkelijke beslissing heeft gewezen, deze de voorkeur moet krijgen.
D. HET OVERGANGSRECHT
Artikel VIII, eerste en derde lid ABW hebben bij de (kanton)rechter geleid tot een verschil in interpretatie over hun competentie. oorzaak is de (wellicht overbodige) toevoeging van het derde lid. Mede gezien de wetsgeschiedenis (MvA, blz. 51) lijkt het de bedoeling van art. VIII dat, indien de gemeente het (interne) besluit voor 1 augustus 1992 heeft genomen, het verzoekschrift door de kantonrechter moet worden behandeld.
De strekking van de tekst zal door de jurisprudentie moeten worden vastgesteld. Nu die tekst onduidelijk is, valt het niet te verwachten dat op korte termijn over de uitleg daarvan in de jurisprudentie eenstemmigheid zal worden bereikt. Het is daarom aan te bevelen de jurisprudentie van de rechter, bij wie de gemeente het meest procedeert, op dit punt in de gaten te houden en zich daarnaar te richten. In het eventuele geval dat een kantonrechter zich onbevoegd verklaart, dient daarna de rechtbank geadieerd te worden. Indien de rechtbank het niet met het oordeel van de kantonrechter eens is, dan zal waarschijnlijk analoog aan de dagvaardingsprocedure de zaak naar de kantonrechter worden terugverwezen; deze dient de zaak dan af te doen.
E. INGANGSDATUM WIJZIGING
Op grond van art. 64c, tweede lid ABW, kan de gemeente de rechter verzoeken het verhaalsbedrag in afwijking van de alimentatie-uitspraak vast te stellen. Daar er sprake is van een zelfstandige verhaalsvordering kan er geen terugwerkende kracht aan worden verleend. Dit kan alleen bij wijziging van de alimentatie-uitspraak zelf o.g.v. art. 1:402 BW. Dit kan een probleem zijn, indien de onderhoudsplichtige het onderzoek van de gemeente bewust vertraagt.
F. ONBEKENDE WOON- EN VERBLIJFPLAATS ONDERHOUDSPLICHTIGE
Indien de gemeente aan de betalings- of onderhoudsplichtige geen terugvorderings- of verhaalsbeschikking kan zenden omdat de woon- en verblijfplaats niet bekend zijn, kan binnen de vervaltermijn toch een verzoekschrift worden ingediend bij het kantongerecht of de rechtbank. De gemeente zal in het verzoekschrift moeten aangeven dat, zonder resultaat, zijn geraadpleegd:
- de bevolkingsadministratie,
- de (ex)echtgenote,
- het centraal persoonsregister en
- de belastingdienst.
G. VERHAALSVORDERING BOVEN ALIMENTATIE
Indien de draagkracht van de onderhoudsplichtige een hoger verhaalsbedrag mogelijk maakt dan aan alimentatie door de rechter is vastgesteld, dan dient de gemeente een verhaalsvordering in te stellen. Hierbij zijn twee mogelijkheden denkbaar:
- gemeente vordert in rechte alleen het verschil tussen het verhaalsbedrag en de reeds opgelegde alimentatie.
- de gemeente vordert het totale verhaalsbedrag onder vermindering van hetgeen op grond van de alimentatie
uitspraak reeds wordt voldaan.
Welke werkwijze door de rechtbanken wordt geaccepteerd is niet aan te geven. Dit behoort tot de rechterlijke vrijheid.
De voorkeur wordt door de vertegenwoordigers van de NVVR gegeven aan de eerste werkwijze, alleen het meerdere vorderen. Het primaat ligt bij de bestaande alimentatie-uitspraak, de verhaalsvordering is slechts aanvullend voor de periode dat aan de onderhoudsgerechtigde bijstand wordt verleend. Voor de gemeenten heeft het echter als nadeel dat er twee uitspraken moeten worden geëxecuteerd.
H. EXECUTIE O.G.V. ART. 64a
De beschikking tot verhaal levert een executoriale titel op. Gezien de tekst van art. 64a, vijfde lid ABW in samenhang met de tekst van art. 430, eerste lid Rv., komt het ons voor dat een authentiek afschrift van de beschikking tot verhaal, met aan het hoofd de woorden "In naam der Koningin" aan de onderhoudsplichtige dient te worden betekend.
I. VOEGING
op grond van artikel 429m Rv. kan een verzetsprocedure (art. 64a ABW) worden gevoegd met een verhaalsprocedure op grond van artikel 64c ABW (gewijzigde omstandigheden of geen rekening hebben kunnen houden met alle gegevens en omstandigheden).
J. INGANGSDATUM VERHAALSBEDRAG
Ten aanzien van nieuwe verhaalsvorderingen (bijstand toegekend na 1 augustus 1992) adviseert de NVVR haar leden de datum van eerste aanschrijving van de onderhoudsplichtige aan te houden als ingangsdatum voor de verhaalsbijdrage. Het verdient daarom aanbeveling de eerste aanschrijving aangetekend of met bevestiging van ontvangst te versturen. Indien het echter aan de gemeente te wijten is dat de verhaalsprocedure is gestagneerd, dan zal de verhaalsbijdrage niet vroeger worden opgelegd dan met ingang van de datum van het verzoekschrift.
K. SPLITSING
Een probleem vormt de toerekening van alimentatie aan één van de kinderen. Het BW hanteert bij de vaststelling van alimentatie de behoefte van het kind. Tot op heden zijn er echter nog geen sluitende zuivere normbedragen gevonden, die zonder kanttekeningen gebruikt kunnen worden. Voor kinderen die het basisonderwijs nog niet verlaten hebben, wordt in de Tremanormen een bedrag van f 250,-- per maand aanbevolen. Het ministerie van Justitie werkt momenteel aan een wetsvoorstel om de kinderalimentatie forfaitair vast te stellen. DIVOSA, de NVVR, de VVS en het NIBUD hebben gezamenlijk een systeem opgezet om tot een rechtvaardige vaststelling te komen. Het rapport is te bestellen bij DIVOSA door overmaking van f 15,-- op postbankrekening 194416 ten name van de vereniging van directeuren van overheidsorganen voor sociale arbeid te Utrecht, onder vermelding van "kosten van kinderen".
L. TERUGVORDERING NIET O.G.V. DE ABW
Een terugvorderingsactie o.g.v. de ABW etc. gebeurt door middel van een verzoekschrift bij de kantonrechter. Er zijn echter ook terugvorderingsacties mogelijk buiten de ABW. Het gaat hierbij met name om verleende voorschotten die niet zijn omgezet in een bijstandsuitkering omdat bleek dat er geen recht bestond. Om de procedure bij de kantonrechter te beginnen hoeft echter geen gebruik te worden gemaakt van een deurwaarder. De gemeente kan zelf een dagvaardingsformulier invullen en dat toezenden aan de griffie van het kantongerecht. Het formulier "dagvaarding ter inleiding van een civiele procedure bij de kantonrechter" is verkrijgbaar bij de griffies van de kantongerechten. Het Ministerie van Justitie, directie voorlichting (070-3706855) heeft ter toelichting de folder "Eiser in een civiele kantongerechtsprocedure" uitgebracht.
|