Man (M) en vrouw (V) zijn op 5 september 2002 met elkaar gehuwd en gescheiden op 14 februari 2007, na de inschrijving van het echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Uit de relatie, voorafgaand aan hun huwelijk, is hun dochtertje geboren en de ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over het kind (K). Bij beschikking van 27 juli 2006 is K voor de duur van één jaar onder toezicht van de stichting Bureau Jeugdzorg gesteld.
De rechtbank heeft bepaald, dat de hoofdverblijfplaats van K bij V zal zijn. M zal met ingang van 7 september 2006 aan V als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (kinderalimentatie) van een bedrag van 325,- per maand voldoen, en aan V voor haar levensonderhoud (partneralimentatie) een bedrag van 249,- per maand betalen. M kan zich met deze beslissingen niet verenigen en komt hiertegen in hoger beroep.
Hoofdverblijf van K en kinderalimentatie
V verblijft sinds 7 januari 2007 op de afdeling Psychiatrie van een Medisch Centrum.Vanaf die datum, verblijft K met instemming van V bij de grootouders van vaderszijde. V bezoekt K daar één dag in de zes weken, samen met de gezinsvoogd.
Aangezien het herstel van V, langer duurt dan verwacht, heeft de stichting Bureau Jeugdzorg aangegeven het verblijf van K bij de grootouders te willen laten formaliseren met een machtiging uithuisplaatsing. Ter zitting is aangegeven dat zij gedurende de looptijd van de ondertoezichtstelling bij het Ambulatorium een onderzoek wil laten doen. Tevens zal de vraag naar het hoofdverblijf van K aan de orde komen.
Het onderzoek is nog niet gestart, nu de onderzoeksvraag wegens de psychische gesteldheid van V nog niet met haar is besproken en V hiervoor nog geen toestemming heeft kunnen geven. Daar te verwachten is dat V, haar toestemming voor dit onderzoek zal geven en het hoofdverblijf van K wordt meegenomen, heeft de stichting verzocht de beslissing inzake het hoofdverblijf aan te houden in afwachting van de onderzoeksresultaten.
M en V hebben ter zitting aangegeven in te kunnen stemmen met het verzoek van de stichting. Het hof zal de zaak met betrekking tot het hoofdverblijf van K zes maanden aanhouden tot pro forma 1 oktober 2007, om de resultaten van het onderzoek van het Ambulatorium af te wachten. Het beroep van M inzake de kinderalimentatie hangt nauw samen met het hoofdverblijf van K.
Partneralimentatie
M voert aan dat er door de gedragingen van V jegens hem, waaronder het beschuldigen van seksueel misbruik van K en bedreiging met een mes, sprake is van zodanig wangedrag dat in redelijkheid van hem niet kan worden verlangd dat hij bij zal dragen in het levensonderhoud van V. Volgens M kan een zeer ernstige beschuldiging door V aan zijn adres, indien niet bewezen, reden zijn om de alimentatie te ontzeggen. V heeft hiertegen verweer gevoerd.
Het Hof Den Bosch
Het hof is van oordeel dat het doen van aangifte tegen M van seksueel misbruik van K, niet kan worden aangemerkt als een zodanige gedraging dat van M naar redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd een bijdrage te leveren in het levensonderhoud van V, als bedoeld in artikel 1:399 BW.
Uit de stukken blijkt dat V, de aangifte heeft gedaan op advies van het AMK én de kinderarts die K onderzocht heeft. Deze heeft objectieve aanwijzingen gevonden die het vermoeden van misbruik ondersteunen. Niet geoordeeld kan worden onder deze omstandigheden dat V erop uit is geweest M bewust te beschadigen.
Door deze aangifte heeft M 38 dagen in voorarrest gezeten. Dat de zaak van M inmiddels is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs, doet volgens het hof niet af aan het feit dat V door het doen van aangifte heeft gehandeld in het belang van K. Verder vormt ook de bedreiging met een mes door V geen aanleiding voor de conclusie dat sprake is van dusdanig wangedrag van V dat van M niet kan worden verwacht dat hij zal bijdragen in haar levensonderhoud. Hierbij neemt het hof in aanmerking de psychische toestand waarin V destijds verkeerde en de omstandigheid dat M hiervan geen aangifte tegen V heeft gedaan. Tevens is er ook niet gebleken van nadelige gevolgen van deze bedreiging voor M.
Betaalde arbeid
M stelt verder dat V geen behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud, nu zij in staat moet worden geacht betaalde arbeid te verrichten. V heeft volgens hem, voor aanvang van de echtscheidingsprocedure, betaalde arbeid verricht en dient het feit dat zij inmiddels haar dienstverband heeft beëindigd voor haar eigen risico te komen.
Uit de stukken ter zitting is naar voren gekomen, dat naar hof's oordeel V, gelet op haar opname in het ziekenhuis vanaf 7 januari 2007, derhalve reeds voor de ingangsdatum van de door M verschuldigde partneralimentatie, niet in staat kan worden geacht in haar eigen behoefte te voorzien. Ook valt, gelet op de psychische stoornis van V en het te verwachten behandeltraject, niet aan te geven op welke termijn V wel in staat kan worden geacht in haar eigen behoefte te voorzien.
Ook indien K haar hoofdverblijf te zijner tijd niet meer bij V zal hebben, valt niet te voorzien of en zo ja in welke mate V in haar eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien. V heeft derhalve behoefte aan de door de rechtbank vastgestelde bijdrage.
Het hof is van oordeel dat op grond van het hiervoor overwogene, de grieven van M betreffende de partneralimentatie niet kunnen slagen, en bekrachtigt de beslissing van de rechtbank s-Hertogenbosch van 8 september 2006 op de vaststelling van levensonderhoud voor V en houdt de zaak aan voor wat betreft het geschil met betrekking tot het hoofdverblijf van K. en de kinderalimentatie pro forma tot 1 oktober 2007.
|