Voor alimentatiezaken heeft de Hoge Raad in 1991 (26 april 1991, NJ 1992, 407) op deze algemene regel een uitzondering gemaakt waardoor ook in een later stadium nog grieven kunnen worden aangevoerd. Deze uitzondering is gemaakt omdat alimentatiebeslissingen van de rechter en overeenkomsten waarbij alimentatie is vastgesteld in beginsel kunnen worden gewijzigd op de in artikel 1:401 BW vermelde gronden (zie ook artikel nieuwsbrief d.d. 5 februari 2009).
In deze zaken hebben beide partijen er belang bij dat de vaststelling van de alimentatie is gebaseerd op de juiste en volledige gegevens zoals die ten tijde van de uitspraak in hoger beroep aan de orde zijn. Als dit niet gebeurt, valt immers op een korte termijn weer een nieuwe procedure te verwachten.
In zijn uitspraak van 20 maart 2009 heeft de Hoge Raad (RFR 2009,64) voornoemde rechtspraak ook als uitgangspunt genomen, maar heeft het daarbij toegestaan dat de vrouw in een zeer laat stadium van de procedure, te weten na een tussenbeschikking van het Gerechtshof, nog met (incidentele) grieven kwam tegen de beschikking van de rechtbank. Het gerechtshof had partijen bij tussenbeschikking in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de gevolgen van een inmiddels gewezen uitspraak van de Hoge Raad. De vrouw voelde zich door deze uitspraak van de Hoge Raad gesterkt in haar standpunt en stelde incidenteel beroep in. De Hoge Raad achtte ook in deze zaak een uitzondering op de hoofdregel gerechtvaardigd en stond toe dat het Hof rekening hield met het betoog van de vrouw.
Mr M. Mook
Dommerholt Advocaten N.V.
|